ECLI:NL:CRVB:2017:1691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als thuishulp, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een uitkering. De bezwaarprocedure leidde tot een bevestiging van dit besluit op basis van een aangescherpte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een arbeidsdeskundig rapport.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, waarbij geen essentiële aspecten van de gezondheidstoestand waren gemist. Ook het Protocol Depressieve stoornis was correct toegepast. De arbeidsdeskundige concludeerde dat ondanks enkele signaleringen van overschrijding van belastbaarheid, de functies passend waren en het verlies aan verdienvermogen onder de 35% bleef.
In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende rekening hield met zijn klachten, en verzocht om benoeming van een deskundige. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank, stelde dat de medische informatie toereikend was en zag geen aanleiding voor nader onderzoek of deskundigenbenoeming. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 april 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.