ECLI:NL:CRVB:2017:1717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op gelijkheidsbeginsel bij vaststelling fictieve opzegtermijn WW-uitkering
Appellante was sinds oktober 2011 werkzaam bij een werkgever en haar arbeidsovereenkomst werd op 1 juli 2014 ontbonden met een ontslagvergoeding van €12.500,- toegekend door de kantonrechter. Op 26 juni 2014 vroeg zij een WW-uitkering aan, maar het UWV besloot op 4 juli 2014 dat zij tot 31 augustus 2014 geen recht had op een WW-uitkering. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar op 13 oktober 2014, waarbij het UWV de ontslagvergoeding beschouwde als loon over een fictieve opzegtermijn van twee maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het UWV de fictieve opzegtermijn correct had vastgesteld. Appellante voerde aan dat het UWV bij haar ex-collega’s een kortere fictieve opzegtermijn hanteerde, maar de rechtbank stelde dat het gelijkheidsbeginsel niet meebrengt dat het UWV een fout in een ander geval moet herhalen.
In hoger beroep beperkte appellante zich tot herhaling van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel, zonder nieuwe argumenten. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt de uitspraak, waarmee het beroep in hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.