Uitspraak
16 juli 2015, 15/1238 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, werkzaam als activiteitenbegeleidster, meldde zich in 2009 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde in 2011 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend. Na een verslechtering in 2014 wees het UWV opnieuw af op grond van onvoldoende mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat medische gegevens onvoldoende steun boden voor volledige arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar rug- en psychische klachten ernstiger waren dan vastgesteld en dat een deskundigenoordeel nodig was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig had gehandeld en dat de medische gegevens onvoldoende aanleiding gaven voor een ander oordeel. De geselecteerde functies waren passend, en de stelling dat een voorbeeldfunctie niet vervulbaar was, werd verworpen. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.