ECLI:NL:CRVB:2017:1880
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- W.F. Claessens
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding met toepassing kostendelersnorm
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en huurde een kamer binnen een woning waar ook B. woonde. Het college stelde vast dat appellante en B een gezamenlijke huishouding voeren, waardoor de kostendelersnorm op haar van toepassing is. Appellante voerde aan dat zij en B in feite gescheiden woningen bewonen, maar de Raad oordeelde dat haar woonruimte geen zelfstandige woning is omdat zij geen eigen toegang en voorzieningen heeft.
Het college trok de bijstand met ingang van 10 november 2015 in wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding. Appellante voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat eerdere onderzoeken een commerciële relatie aantoonden, maar de Raad vond op grond van objectieve criteria en verklaringen van appellante zelf voldoende bewijs voor wederzijdse zorg en financiële verstrengeling.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep ongegrond verklaarde en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand wordt bevestigd.