ECLI:NL:CRVB:2021:946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf in dezelfde woning
Appellante ontving bijstand als alleenstaande en woonde met partner X in een studentencomplex waar zij beiden ingeschreven stonden. Uit hun relatie is een kind geboren. Het college trok de bijstand in vanaf de geboortedatum van het kind, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerden en hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking, maar niet tegen een later herzieningsbesluit over een andere periode. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Raad oordeelde dat het bezwaar niet mede gericht was tegen het herzieningsbesluit en dat de intrekking terecht was.
De Raad bevestigde dat het delen van wezenlijke woonfuncties zoals keuken, toilet en badkamer en een gemeenschappelijke toegang betekent dat sprake is van één woning, ook al hebben zij aparte kamers en huurcontracten. De beroepsgronden van appellante werden verworpen en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf in dezelfde woning wordt bevestigd.