ECLI:NL:CRVB:2017:1897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering IOAW-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden en ontbrekende bankafschriften
Appellant ontving vanaf september 2007 een IOAW-uitkering. Naar aanleiding van een verzoek om een voorschot in 2012 startte het college een heronderzoek waarbij bleek dat appellant niet alle bankafschriften had overgelegd en in 2010 werkzaamheden had verricht die niet waren gemeld.
Het college trok de uitkering over de periode van september 2007 tot september 2010 in en vorderde de uitkering over een langere periode terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de ontbrekende bankafschriften geen relevante informatie zouden bevatten en dat de kosten voor het opvragen onredelijk waren.
De Raad oordeelde dat het niet overleggen van bankafschriften en het niet melden van werkzaamheden een schending van de inlichtingenverplichting vormt, waardoor het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij recht had op de uitkering. Ook de termijn en kosten voor terugvordering waren volgens de Raad terecht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de IOAW-uitkering bevestigd.