ECLI:NL:CRVB:2017:1916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand naar norm verblijf in inrichting bij beschermd wonen
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hengelo over de toekenning van bijstand. Appellant verbleef van maart 2013 tot mei 2014 in een woning van de RIBW, waar hij intensieve begeleiding ontving. De Raad had eerder geoordeeld dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke invulling van de hulpverlening en begeleiding.
Na een tussenuitspraak heeft het college een nader besluit genomen, waarin het bijstand toekent volgens de norm voor een alleenstaande in een inrichting. Dit besluit werd aangevochten omdat appellant meende recht te hebben op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college had contact gezocht met de RIBW en het CIZ, maar werd beperkt door het medisch beroepsgeheim en het ontbreken van een AWBZ-indicatie van appellant.
De Raad concludeert dat op basis van de beschikbare gegevens, waaronder een zorgzwaartepakket 3C en de garantie van 24-uurs zorg door de RIBW, de woning als een inrichting in de zin van de WWB moet worden aangemerkt. Het college heeft daarmee het gebrek uit de tussenuitspraak hersteld. Het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard, het eerdere besluit en de eerdere uitspraak worden vernietigd. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het nader besluit wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.