ECLI:NL:CRVB:2017:1943
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking
Appellant had een WW-uitkering ontvangen over verschillende periodes in 2007 en 2008, waaronder een uitkering wegens betalingsonmacht. Het UWV stelde na een onderzoek, vastgelegd in het Rapport werknemersfraude, dat appellant niet als werknemer in dienstbetrekking bij [naam J] had gewerkt en daarom niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.
Op basis hiervan trok het UWV de uitkeringen in en vorderde deze terug. Appellant voerde aan wel werknemer te zijn geweest en dat het UWV ten onrechte geen eigen onderzoek had gedaan. Ook stelde hij dat terugvordering via de burgerlijke rechter diende te verlopen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel. Het rapport van het UWV is overtuigend gemotiveerd en appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een dienstbetrekking. De terugvordering is publiekrechtelijk gebaseerd op de WW en terecht.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de uitkeringen en de terugvordering worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen werknemer was en keurt de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering goed.