ECLI:NL:CRVB:2017:1955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit bij bijstandsverlening
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand, die door het college met terugwerkende kracht werd ingetrokken en teruggevorderd. Na gedeeltelijke herroeping van het besluit bleef een inhouding op bijstand van €98 per maand van kracht. Appellante verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade vanwege de financiële en persoonlijke gevolgen van het onrechtmatige besluit.
De rechtbank wees het verzoek af, waarbij werd geoordeeld dat de wettelijke rentevergoeding de volledige materiële schade dekt en dat de immateriële schade niet aannemelijk was gemaakt. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad verwees naar vaste rechtspraak dat de wettelijke rentevergoeding alle schade door vertraging dekt en dat voor immateriële schade een aantasting van persoon of eer vereist is, wat hier niet is gebleken.
De Raad concludeerde dat de onrechtmatigheid van het besluit vaststaat, maar dat geen aanleiding is voor een hogere schadevergoeding dan de wettelijke rente en dat het verzoek om immateriële schadevergoeding terecht is afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding boven de wettelijke rente en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.