ECLI:NL:CRVB:2017:2070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bijstandstoekenning naar gehuwdennorm bij gezamenlijke huishouding
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college kende bijstand toe volgens de gehuwdennorm omdat hij en L in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag als gehuwden werden aangemerkt en een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat hij zijn hoofdverblijf had in de woning waar ook L woonde.
Appellant voerde aan dat hij als binnenvaartschipper zijn hoofdverblijf op het schip had en slechts tijdelijk in de woning verbleef vanwege een hartinfarct. De Raad oordeelde dat appellant in de relevante periode geen arbeidscontract had en niet op het schip verbleef, maar in de woning. Dit werd ondersteund door het feit dat de woning volledig was ingericht, hij daar zijn post ontving en administratie bewaarde.
De Raad verwierp het verweer van appellant dat sprake was van een stapeling van rechtsvermoedens, omdat het college een feitelijk onderzoek had verricht. De conclusie was dat appellant en L een gezamenlijke huishouding voerden en dat het college de bijstand terecht had toegekend volgens de gehuwdennorm.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstand is terecht toegekend naar de gehuwdennorm vanwege gezamenlijke huishouding en hoofdverblijf in dezelfde woning.