Uitspraak
17.2736 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
€ 1.024,-;
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Participatiewet en het dagelijks bestuur stelde dat zij vanaf 1 januari 2016 met X een gezamenlijke huishouding voerde, wat leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van een bedrag.
Na onderzoek, verklaringen en beperkte waarnemingen stelde de rechtbank dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor een gezamenlijke huishouding en vernietigde het besluit tot intrekking. Het dagelijks bestuur ging in hoger beroep, maar kon geen overtuigend bewijs leveren dat X zijn hoofdverblijf bij betrokkene had.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verklaringen en onderzoeksgegevens onvoldoende waren om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en veroordeelde het dagelijks bestuur in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het dagelijks bestuur wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.