Uitspraak
14.4977 WWB
29 juli 2014, 14/717 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene ontving sinds eind 2010 bijstand en verbleef meerdere keren in het buitenland zonder dit te melden, wat leidde tot verlaging van haar bijstand en terugvordering door het college van burgemeester en wethouders van Oss. De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit tot verlaging van de bijstand, stellende dat het college niet bevoegd was om een maatregel op te leggen na de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving sanctiebeleid per 1 januari 2013.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad dat het college inderdaad niet bevoegd was om een maatregel op te leggen voor overtredingen die doorliepen na 1 januari 2013, maar benadrukt dat het college wel verplicht was een boete op te leggen op grond van artikel 18a WWB. De Raad vernietigt het deel van de uitspraak waarin de rechtbank het besluit van 3 juni 2013 herroept en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat het tijdstip van de overtreding niet doorslaggevend is voor het toepasselijke recht, maar dat het feit dat de overtreding voortduurt na 1 januari 2013 betekent dat het nieuwe recht van toepassing is. De terugvordering en herziening zijn nog niet in rechte vastgesteld, waardoor de rechtbank niet zelf een boete kon opleggen. De uitspraak bevestigt verder het advies van de Commissie Bezwaarschriften dat het college de overgelegde bewijsmiddelen zorgvuldig moet beoordelen.
Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 juni 2017.
Uitkomst: De Raad vernietigt het deel van de uitspraak dat het besluit tot verlaging van de bijstand herroept en draagt het college op een nieuw besluit te nemen, waarbij het opleggen van een boete verplicht is.