ECLI:NL:CRVB:2017:2255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- L. Koper
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingezetenschap voor kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet
Appellante, met de Nederlandse nationaliteit en woonachtig in Nederland sinds juli 2013, volgde een voltijdse mbo-opleiding en ontving studiefinanciering. Zij had een aanvraag voor kinderbijslag ingediend die door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) werd geweigerd omdat zij geen ingezetene van Nederland was.
De rechtbank had geoordeeld dat op de peildatum 1 oktober 2014 geen duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland bestond, waardoor zij niet verzekerd was volgens de AKW. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij zich in Nederland had gevestigd en niet alleen voor studieredenen verbleef.
De Raad oordeelde dat de duurzame band met Nederland ontbrak omdat appellante niet beschikte over zelfstandige woonruimte en haar eigen stelling niet met objectieve gegevens ondersteunde. Het feit dat zij studiefinanciering ontving en een voltijdse studie volgde, was onvoldoende om ingezetenschap aan te nemen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Appellante was op 1 oktober 2014 geen ingezetene van Nederland en had daarom geen recht op kinderbijslag volgens de AKW.