ECLI:NL:CRVB:2017:234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen maatregel tegen werknemer wegens ontbreken gegrond vermoeden niet-meewerken re-integratie
De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin het besluit van het UWV om geen maatregel op te leggen aan een werknemer wegens vermeend niet-meewerken aan re-integratie werd vernietigd.
De werknemer was tot augustus 2011 werkzaam bij een overheidswerkgever en ontving daarna een WW-uitkering die eindigde in oktober 2014. De voormalige werkgever had de werknemer verzocht om een overzicht van zijn activiteiten ter bevordering van inschakeling in arbeid, waarop de werknemer niet reageerde. De werkgever meldde dit als verwijtbaar gedrag aan het UWV, dat echter besloot geen maatregel op te leggen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV wel onderzoek had moeten doen naar de kwaliteit van de sollicitatie-inspanningen van de werknemer, ook zonder lopend re-integratietraject. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat er geen lopend re-integratietraject was en dat de verzoeken van de werkgever niet het begin van een dergelijk traject vormden. De meldingen waren onderdeel van een algemene controle en niet gericht op re-integratie. Daarom was het UWV niet verplicht nader onderzoek te doen en was het besluit om geen maatregel op te leggen terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het besluit om geen maatregel op te leggen aan de werknemer blijft in stand.