ECLI:NL:CRVB:2016:972
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling melding verwijtbaar gedrag tijdens re-integratietraject werkneemster
Betrokkene, een overheidswerkgever, diende een melding in bij het UWV van vermeend verwijtbaar gedrag van een voormalige werkneemster tijdens haar re-integratietraject. De melding betrof het niet verstrekken van informatie over sollicitatieactiviteiten, wat volgens betrokkene een schending van de verplichtingen uit de Werkloosheidswet (WW) zou zijn.
Het UWV besloot geen maatregel op te leggen, omdat het niet aannemelijk was dat werkneemster niet meewerkte aan haar re-integratie. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen, wat niet gebeurde. De rechtbank vernietigde daarop het besluit en beval een nieuw besluit.
In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat werkneemster op grond van een plan van aanpak verplicht was wekelijks een overzicht van sollicitatieactiviteiten te verstrekken aan betrokkene. Betrokkene had zelf kunnen nagaan of aan deze concrete norm was voldaan. De algemene verzoeken om informatie waren te vaag en werkneemster was niet verplicht hierop te reageren. De melding was niet gebaseerd op een gegrond vermoeden van niet-meewerken.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen grond voor het opleggen van een maatregel of vergoeding van schade. Het UWV had terecht besloten geen maatregel op te leggen.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het besluit om geen maatregel op te leggen aan werkneemster blijft in stand.