ECLI:NL:CRVB:2017:2378
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig medewerkster van een tuincentrum, meldde zich ziek met pijnklachten aan haar linkerpols. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit op basis van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die de belastbaarheid van appellante zorgvuldig had vastgesteld.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond. De rechtbank vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en oordeelde dat appellante in staat is arbeid te verrichten waarbij de linkerarm wordt gespaard. Appellante had onvoldoende medische informatie overgelegd om het standpunt van de verzekeringsarts te weerleggen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en vroeg zij opnieuw om een deskundige te benoemen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de beperkingen van appellante goed geobjectiveerd en gemotiveerd waren vastgesteld en dat medische informatie over een verslechtering na de peildatum buiten beschouwing bleef. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is, wordt bevestigd.