ECLI:NL:CRVB:2017:2460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WW-voorschotten aan zelfstandige
Appellant ontving vanaf 6 december 2010 een WW-uitkering en kreeg toestemming van het UWV om vanaf 31 januari 2011 werkzaamheden als zelfstandige te verrichten gedurende een startperiode tot 24 juli 2011. De uitkering werd over deze periode als voorschot betaald, waarbij 70% van de inkomsten als zelfstandige in mindering werd gebracht. Later stelde het UWV vast dat appellant €11.285,90 te veel aan voorschotten had ontvangen en vorderde dit bedrag terug.
Appellant stelde in hoger beroep dat de startperiode ten onrechte vanaf 31 januari 2011 was vastgesteld, omdat hij pas in mei 2011 als zelfstandige was begonnen. Ook betwistte hij de maandelijkse bedragen in de termijnbrief. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en dit oordeel werd door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.
De Raad oordeelde dat voor de vaststelling van de startperiode niet relevant is of appellant daadwerkelijk vanaf 31 januari 2011 werkzaamheden verrichtte. Het UWV was op grond van dwingendrechtelijke bepalingen verplicht het onverschuldigd betaalde bedrag terug te vorderen. Het hoger beroep slaagde niet en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 juli 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €11.285,90 aan onverschuldigd betaalde WW-voorschotten.