ECLI:NL:CRVB:2017:2491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens onvoldoende bewijs verzending
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of het bezwaar van betrokkene terecht niet-ontvankelijk was verklaard omdat de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijn waren ingediend. Appellant, het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht, had een brief verzonden waarin werd verzocht om binnen twee weken de gronden aan te leveren. Betrokkene stelde deze brief niet te hebben ontvangen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de brief daadwerkelijk was verzonden. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, stellende dat de brief volgens interne werkprocessen was verwerkt en verzonden.
De Raad oordeelde dat de rechtbank het bestreden besluit had moeten vernietigen en daaraan rechtsgevolgen verbinden. De Raad stelde dat het bestuursorgaan in beginsel aannemelijk moet maken dat een besluit of brief naar het juiste adres is verzonden, waarbij een deugdelijke verzendadministratie vereist is. Uit het overgelegde proces bleek echter dat overdracht aan een externe koeriersdienst niet werd geregistreerd, waardoor geen deugdelijke verzendadministratie bestond.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De Raad droeg appellant op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepaalde dat tegen die beslissing alleen beroep bij de Raad kan worden ingesteld om een voortvarende afdoening te bevorderen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 23 februari 2016 vernietigd met opdracht tot een nieuwe beslissing op bezwaar.