ECLI:NL:CRVB:2017:2609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens ontbreken procesbelang bij pgb-toekenning
Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden voor 2014, toegekend bij besluit van 22 januari 2013. In 2015 stelde het college vast dat appellant zijn verantwoordingsplicht had voldaan en dat het pgb niet werd teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat hij het hogere door hem verantwoordde bedrag alsnog toegekend wil krijgen.
Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het bezwaar zich richtte tegen de verantwoording en niet tegen de toekenning van het pgb, welke bij het eerdere besluit was vastgesteld. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees erop dat appellant geen bezwaar had gemaakt tegen het toekenningsbesluit uit 2013.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het instellen van bezwaar tegen het toekenningsbesluit illusoir was gemaakt doordat hij dit besluit niet tijdig had ontvangen en dat het college hem had moeten horen. De Raad oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was omdat het beoogde resultaat, een verhoging van het pgb, niet bereikt kan worden via bezwaar tegen het verantwoordingbesluit.
De Raad bevestigde dat het college terecht van een hoorzitting heeft afgezien en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.