ECLI:NL:CRVB:2017:2710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugwerkende kracht van vijf jaar bij verhoging ouderdomspensioen AOW
De zaak betreft het hoger beroep van de erven van betrokkene tegen de Sociale verzekeringsbank (Svb) over de ingangsdatum van de verhoging van het ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Betrokkene, geboren in 1913, woonde tot 1972 in Nederland, verhuisde toen naar Zwitserland en keerde in 1983 terug naar Nederland. Zij kreeg een AOW-pensioen toegekend met korting vanwege verblijf in het buitenland. In 2014 werd vastgesteld dat zij aanspraak had op overgangsvoordelen waardoor haar pensioen verhoogd moest worden met terugwerkende kracht vanaf december 2008.
Appellanten stelden dat de verhoging al in 1989 had moeten ingaan, toen betrokkene aan de zes jaren eis voldeed. De Raad oordeelde dat de Svb terecht een terugwerkende kracht van maximaal vijf jaar hanteert, conform het beleid en artikel 16 lid 2 AOW Pro. De door appellanten aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals verzorgingskosten, rechtvaardigen geen afwijking. Ook het beroep op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens werd verworpen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de verhoging van het AOW-pensioen met terugwerkende kracht maximaal vijf jaar kan ingaan vanaf de aanvraagdatum.