ECLI:NL:CRVB:2017:2720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens verzwijging onroerend goed in Turkije
Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds 2001 bijstand. In een themacontrole kwam aan het licht dat appellant sinds 2009 een stuk bouwgrond in Turkije bezit, getaxeerd op €12.500,-. Het college trok de bijstand met ingang van 31 juli 2009 in en vorderde ruim €101.000,- terug wegens verzwijging.
De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat de intrekking en terugvordering alleen over de periode vanaf 20 november 2009 tot eind oktober 2014 terecht was, en matigde het terugvorderingsbedrag tot €12.500,-. Het college beperkte daarop de intrekking en matigde de terugvordering conform de uitspraak.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde dat het terugvorderingsbedrag verder verlaagd had moeten worden tot het bedrag waarmee de vermogensgrens werd overschreden. De Raad oordeelt dat het college gehouden is terug te vorderen wat ten onrechte is ontvangen en dat het reparatoire karakter van terugvordering meebrengt dat niet meer kan worden teruggevorderd dan het netto onterecht ontvangen bedrag. Appellant maakte niet aannemelijk dat hij recht had op bijstand over de periode 20 november 2009 tot eind 2013. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en matigt de terugvordering tot de waarde van het onroerend goed.