ECLI:NL:CRVB:2017:2725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht ondanks psychische problematiek
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht vanwege onduidelijkheden over zijn woon- en leefsituatie. Het college stelde gerede twijfel vast op basis van bankafschriften en waarnemingen nabij het adres van de ex-vriendin van appellant. Tijdens een gesprek op 26 januari 2015, waarin appellant werd verzocht aanvullende bankafschriften te overleggen, verliet hij het gesprek voortijdig zonder alle vragen te beantwoorden.
Het college trok de bijstand met ingang van 26 januari 2015 in wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische problemen hem verhinderden het gesprek te voltooien en dat het college de bijstand had moeten opschorten. De Raad oordeelde dat appellant weliswaar psychische problematiek had, maar dat hij tijdens het gesprek in staat was vragen te beantwoorden en meerdere pauzes kreeg aangeboden.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende openheid van zaken gaf en daarmee de inlichtingenplicht schond. Er was geen sprake van strijd met het zorgvuldigheids- of evenredigheidsbeginsel. Het college mocht op basis van de beschikbare gegevens het recht op bijstand niet vaststellen. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.