ECLI:NL:CRVB:2017:2733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen buitenlands appartement
Appellanten ontvingen vanaf 6 maart 2005 bijstand op grond van de WWB. Tijdens een onderzoek naar vermogen in het buitenland werd vastgesteld dat appellanten een appartement in Turkije bezaten dat niet was gemeld aan het college, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt.
Het college trok de bijstand met ingang van 6 maart 2005 in en vorderde de kosten van bijstand terug tot een bedrag van €190.315,60. Appellanten voerden aan dat het recht op bijstand vanaf 2005 wel kon worden vastgesteld en dat de waarde van het appartement niet boven de vermogensgrens lag.
De Raad oordeelde dat het recht op bijstand pas vanaf 14 augustus 2014, de datum van het taxatierapport, vast te stellen is en dat de waarde daarvoor onbekend blijft door het ontbreken van informatie. De Raad bevestigde dat de inlichtingenverplichting objectief is en dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de meldingsplicht niet redelijkerwijs konden begrijpen.
De terugvordering over de gehele periode is geoorloofd, mede gezien het overgangsrecht, en het bedrag wordt niet gematigd vanwege de onzekerheid over de waardeontwikkeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand en terugvordering bevestigd.