ECLI:NL:CRVB:2017:2735
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen schending inlichtingenplicht bij niet-bekendheid onroerend goed in Turkije
Betrokkene ontving vanaf november 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek van appellant bleek dat betrokkene mede-eigenaar was van landbouwgrond in Turkije, geërfd van haar in 2003 overleden vader. Appellant trok daarop de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking van de bijstand. De Raad bevestigt deze uitspraak en overweegt dat betrokkene niet op de hoogte was van het mede-eigendom van de percelen, wat pas in 2009 in het Turkse kadaster werd geregistreerd. Gezien het tijdsverloop van tien jaar na het overlijden van haar vader, lag het niet op haar weg om dit te onderzoeken.
Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en het incidenteel hoger beroep van betrokkene vervalt. Tevens wordt appellant veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de ten onrechte teruggevorderde bijstand en in de proceskosten van betrokkene. De Raad legt appellant ook griffierecht op.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd omdat betrokkene niet op de hoogte was van het onroerend goed in Turkije.