Appellant was sinds 2004 docent bij werkgever en werd in mei 2015 geschorst wegens grensoverschrijdend gedrag richting leerlingen. Werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke per 1 juli 2015 werd uitgesproken door de kantonrechter op grond van verandering in omstandigheden, niet wegens dringende reden.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die het Uwv aanvankelijk toekende. Werkgever maakte bezwaar, waarna het Uwv besloot de uitkering te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid gebaseerd op een dringende reden. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het Uwv zelfstandig mag beoordelen of sprake is van een dringende reden.
In hoger beroep stelde appellant dat geen dringende reden bestond en dat werkgever niet voortvarend had gehandeld. De Raad oordeelde echter dat het Uwv terecht tot het oordeel kwam dat sprake was van een dringende reden in objectieve en subjectieve zin. De Raad benadrukte dat het ontslag niet op staande voet hoefde te zijn om verwijtbare werkloosheid aan te nemen en dat het gedrag van appellant, waaronder een innige knuffel en seksueel intimiderend WhatsApp- en emailcontact, een dringende reden vormde.
De Raad concludeerde dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en bevestigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, waarmee de WW-uitkering blijvend werd geweigerd.