Betrokkene had diverse psychische en lichamelijke klachten en was onder AWBZ geïndiceerd voor persoonlijke verzorging en begeleiding. Na een bezwaarprocedure wijzigde CIZ de indicatie voor begeleiding individueel naar klasse 2 en beperkte de persoonlijke verzorging na juni 2015.
De rechtbank vernietigde het besluit voor zover de indicatie begeleiding individueel werd beëindigd en stelde de indicatie tot 2029 vast. In hoger beroep bevestigt de Raad deze uitkomst, oordeelt dat betrokkene geen recht had op Wlz-zorg en dat CIZ niet onrechtmatig heeft gehandeld door betrokkene naar de gemeente door te verwijzen.
De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelt CIZ wel in de proceskosten omdat het op de weg van CIZ lag om nadere informatie over de psychiatrische behandeling te verkrijgen. De rechtbank had ten onrechte betrokkene verweten te laat medische informatie te hebben verstrekt.
De indicatie voor persoonlijke verzorging is feitelijk al gerealiseerd via een pgb van de gemeente, waardoor het hoger beroep daartegen geen feitelijke betekenis heeft. De Raad bevestigt verder dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer begeleiding individueel nodig was dan geïndiceerd.