Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:2899

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 augustus 2017
Publicatiedatum
23 augustus 2017
Zaaknummer
15/8282 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Wet Bijzondere ZiektekostenWet langdurige zorgBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling indicatie persoonlijke verzorging en begeleiding individueel onder AWBZ en proceskostenveroordeling

Betrokkene had diverse psychische en lichamelijke klachten en was onder AWBZ geïndiceerd voor persoonlijke verzorging en begeleiding. Na een bezwaarprocedure wijzigde CIZ de indicatie voor begeleiding individueel naar klasse 2 en beperkte de persoonlijke verzorging na juni 2015.

De rechtbank vernietigde het besluit voor zover de indicatie begeleiding individueel werd beëindigd en stelde de indicatie tot 2029 vast. In hoger beroep bevestigt de Raad deze uitkomst, oordeelt dat betrokkene geen recht had op Wlz-zorg en dat CIZ niet onrechtmatig heeft gehandeld door betrokkene naar de gemeente door te verwijzen.

De Raad wijst het verzoek om schadevergoeding af, maar veroordeelt CIZ wel in de proceskosten omdat het op de weg van CIZ lag om nadere informatie over de psychiatrische behandeling te verkrijgen. De rechtbank had ten onrechte betrokkene verweten te laat medische informatie te hebben verstrekt.

De indicatie voor persoonlijke verzorging is feitelijk al gerealiseerd via een pgb van de gemeente, waardoor het hoger beroep daartegen geen feitelijke betekenis heeft. De Raad bevestigt verder dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat meer begeleiding individueel nodig was dan geïndiceerd.

Uitkomst: De Raad bevestigt de indicatie voor persoonlijke verzorging klasse 6 en begeleiding individueel klasse 2, wijst het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelt CIZ tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

15/8282 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
16 november 2015, 15/2907 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om schadevergoeding
Partijen:
De erven en of rechtverkrijgenden van [betrokkene] laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)

CIZ

Datum uitspraak: 23 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Namens thans wijlen [betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene is op [datum] 2017 overleden, waarna appellanten de procedure hebben voortgezet.
Appellanten hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2017. Namens appellanten is de dochter van betrokkene, [naam dochter] verschenen. Namens CIZ is verschenen
mr. L.M.R. Kater.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Betrokkene had diverse psychische en lichamelijke klachten. CIZ heeft haar in november 2009 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor de zorgfuncties persoonlijke verzorging, klasse 5, en begeleiding individueel, klasse 3, voor de periode van 13 april 2009 tot en met 12 april 2014. Betrokkene heeft op 4 maart 2014 opnieuw een indicatie aangevraagd voor persoonlijke verzorging en begeleiding individueel.
1.2.
CIZ heeft betrokkene bij besluit van 15 mei 2014 voor de periode van 13 april 2014 tot en met 12 april 2029 geïndiceerd voor persoonlijke verzorging, klasse 6, en begeleiding individueel, klasse 2. Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
CIZ heeft het bezwaar, bij besluit van 9 maart 2015 (bestreden besluit), ongegrond verklaard. Daarbij heeft CIZ de einddatum van de indicatie voor begeleiding individueel gewijzigd naar 20 april 2015. De omvang van de indicatie voor persoonlijke verzorging heeft CIZ gesteld op klasse 6 in de periode van 13 april 2014 tot en met 9 juni 2015, en klasse 3 in de periode van 10 juni 2015 tot en met 11 april 2029. Volgens CIZ komt betrokkene niet langer voor begeleiding individueel in aanmerking omdat behandeling voorliggend is en inzet van geneeskundige begeleiding tot de mogelijkheden behoort. Verder kan betrokkene gebruik maken van hulpmiddelen voor zelfzorg en is de omvang van persoonlijke verzorging beperkt tot de directe zorg. CIZ beroept zich op adviezen van zijn medisch adviseur
drs. C.L.J. Mulder van 8 januari 2015 en 15 januari 2015.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de indicatie begeleiding individueel is beëindigd per 20 april 2015. De rechtbank heeft de einddatum van de indicatie begeleiding individueel, klasse 2, bepaald op 11 april 2029. De rechtbank heeft verder CIZ opgedragen het griffierecht aan betrokkene te vergoeden, maar geen aanleiding gezien voor de gevraagde proceskostenveroordeling in beroep, omdat betrokkene te laat de door CIZ benodigde medische informatie heeft overgelegd.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Per 1 januari 2015 is de AWBZ ingetrokken en is de Wet langdurige zorg (Wlz) in werking getreden. Niet in geschil is dat betrokkene niet blijvend was aangewezen op zorg met permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Daarmee had zij geen recht op zorg ingevolge de Wlz. De Raad kan appellanten daarom niet volgen in hun standpunt dat CIZ door zijn wijze van indicatiestelling betrokkene opzettelijk buiten de Wlz heeft gehouden en dat betrokkene ten onrechte en opzettelijk door CIZ naar de gemeente Den Haag is doorgeschoven. De beroepsgrond ter zake slaagt niet.
4.2.
Verder treft de beroepsgrond inzake de lange afhandelingsduur van het bezwaarschrift geen doel, reeds omdat betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de rechtsmiddelen die de Algemene wet bestuursrecht biedt, zoals de ingebrekestelling, om het bestuursorgaan te sommeren de wettelijke beslistermijnen na te leven.
4.3.
Ook de gronden van appellanten tegen de toegekende klasse voor persoonlijke verzorging treffen geen doel. Ter zitting is gebleken dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (het college) met ingang van 1 januari 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) aan betrokkene heeft toegekend dat is gebaseerd op de door appellanten gewenste en door CIZ vastgestelde klasse 6. Het hoger beroep van appellanten, voor zover gericht tegen de toegekende klasse aan persoonlijke verzorging, kan dan ook geen feitelijke betekenis hebben nu het gewenste resultaat al was bereikt.
4.4.
De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij wat betreft de functie begeleiding individueel meer zorg nodig heeft dan is geïndiceerd. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat betrokkene tekort is gedaan met begeleiding individueel naar een omvang van klasse 2.
4.5.
Anders dan de rechtbank, ziet de Raad wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Uit de medische adviezen waarop CIZ zich heeft gebaseerd, blijkt dat CIZ al in januari 2015 bekend was met het gegeven dat betrokkene psychiatrisch werd behandeld. Gelet daarop lag het op de weg van CIZ om daarover nadere informatie in te winnen. De rechtbank heeft betrokkene in het kader van de proceskosten daarom ten onrechte tegengeworpen dat zij te laat medische informatie heeft overgelegd. Deze beroepsgrond van appellanten slaagt dus.
4.6.
Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de aangevallen uitspraak, voor zover aan betrokkene geen proceskosten zijn toegekend, te vernietigen. Voor het overige kan de uitspraak van de rechtbank in stand blijven. Alle overige gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd leiden de Raad niet tot een ander oordeel. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
5. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op
€ 990,- in beroep en € 495,- in hoger beroep, in totaal € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij een veroordeling in de proceskosten achterwege is gebleven;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
  • veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.485,-;
  • bepaalt dat CIZ aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) G.J. van Gendt
IvR