ECLI:NL:CRVB:2017:2946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen
Appellant ontving bijstand en werd in een heronderzoek geconfronteerd met kasstortingen op zijn bankrekening die niet waren gemeld. Het college besloot de bijstand over de periode van mei tot en met december 2014 te herzien en de te veel ontvangen bedragen terug te vorderen.
Appellant voerde aan dat een deel van de kasstortingen bestemd was voor het aflossen van huurachterstanden en dat hij niet vrij over deze bedragen kon beschikken. Daarnaast stelde hij dat sommige stortingen leningen waren die terugbetaald moesten worden en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien vanwege financiële en sociale gevolgen.
De Raad oordeelde dat de kasstortingen op de bankrekening van appellant als middelen in de zin van de Participatiewet moeten worden beschouwd, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat appellant er niet vrij over kon beschikken. Dit laatste is niet gebleken. Ook de stelling dat het om leningen ging, leidde niet tot een ander oordeel. Dringende redenen om af te zien van terugvordering werden niet vastgesteld. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd dan ook bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens niet gemelde kasstortingen.