Appellante ontvangt sinds 2006 bijstand en werd onderzocht nadat bleek dat een auto op haar naam stond. Het college stelde vast dat zij niet had gemeld dat zij beschikte over een bankrekening van haar minderjarige dochter A met daarop contante stortingen en bijschrijvingen, en dat zij een schenking van haar dochter B niet had gemeld. Hierdoor werd haar recht op bijstand over diverse maanden ingetrokken en teruggevorderd, en werd een bestuurlijke boete opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante feitelijk over de gelden kon beschikken en haar inlichtingenverplichting had geschonden. In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Raad volgde de rechtbank en benadrukte dat appellante duidelijk had moeten zijn dat zij deze middelen moest melden. De boete werd gehandhaafd omdat de schending van de inlichtingenverplichting was vastgesteld en de financiële situatie van appellante geen reden gaf tot matiging.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.