Betrokkene diende in april 2012 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege een lichte verstandelijke beperking en behoefte aan extra begeleiding. Appellant stelde vast dat betrokkene meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen en wees de uitkering af. Na bezwaar en beroep werden de functionele mogelijkheden opnieuw beoordeeld, waarbij de rechtbank oordeelde dat betrokkene intensieve en continue begeleiding nodig heeft die niet was onderkend door appellant.
De rechtbank vernietigde het besluit van appellant en beval een nieuwe beslissing op bezwaar, waarbij ook het door betrokkene betaalde griffierecht en proceskosten werden vergoed. In hoger beroep betwistte appellant de noodzaak van een jobcoach en stelde dat begeleiding na een inwerkperiode door leidinggevenden of collega’s kon worden gegeven. Betrokkene handhaafde haar standpunt dat de begeleiding intensiever en specialistischer moet zijn.
De Raad concludeerde dat betrokkene inderdaad continu begeleiding nodig heeft en dat de intensiteit van deze begeleiding boven het redelijke ligt wat in een reguliere arbeidssetting verwacht mag worden. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en appellant werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase was overschreden, waardoor de Staat een schadevergoeding van € 500,- aan betrokkene moet betalen.