ECLI:NL:CRVB:2017:3104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening bijstandsnorm alleenstaande ouder bij feitelijke woonplaats kind
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder tot 1 januari 2015, maar het college herzag de bijstand vanaf 20 oktober 2014 omdat haar dochter sinds die datum feitelijk bij haar vader woonde. Dit leidde tot een terugvordering van teveel ontvangen bijstand en een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel de volledige zorg had, ondanks het feit dat haar dochter bij haar vader verbleef. De Raad oordeelde dat de feitelijke woonplaats van het kind leidend is voor de beoordeling en dat appellante dit niet met objectieve gegevens had weerlegd.
De Raad verwierp het beroep op eerdere jurisprudentie die onder andere omstandigheden afweek van dit uitgangspunt. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs dat appellante de volledige zorg had, werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; bijstand herzien en terugvordering bevestigd omdat dochter feitelijk bij vader woonde.