Uitspraak
OVERWEGINGEN
13 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3246 en van 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1259.
Centrale Raad van Beroep
Appellant beschikte over een indicatie voor begeleiding individueel klasse 2 en ontving voor 2011, 2012 en 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) dat hij verantwoordde met bedragen van respectievelijk €2.890,02, €4.834,44 en €5.426,14. In 2014 kreeg appellant met terugwerkende kracht een hogere indicatie voor zorgzwaartepakket GGZ 4C met dagbesteding en vervoer, klasse 7, voor de periode van 2011 tot 2027. Naar aanleiding hiervan verleende het Zorgkantoor voor 2014 een hoger pgb, maar weigerde dit met terugwerkende kracht toe te kennen voor 2011-2013.
Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering en stelde dat hij vanaf 2011 meer zorg nodig had dan geïndiceerd en dat zijn vader als zorgverlener meer zorg had verleend. Het Zorgkantoor vond echter dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij meer zorgkosten had gemaakt dan verantwoord met zorgovereenkomsten, declaraties en betaalbewijzen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant ook in hoger beroep niet met stukken aannemelijk had gemaakt dat hij méér zorgkosten had gemaakt dan verantwoord. De Raad verwees naar vaste jurisprudentie over het niet achteraf kunnen verantwoorden van een pgb bij een met terugwerkende kracht verleende indicatie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot weigering van een hoger pgb voor 2011-2013 wordt bevestigd.