Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:3271

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2017
Publicatiedatum
25 september 2017
Zaaknummer
16/3501 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij pgb-verlening 2014

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake de verlening van een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg over 2014. Diverse besluiten van het Zorgkantoor hebben geleid tot verschillende vaststellingen van het pgb-bedrag voor dat jaar.

Tijdens de zitting bevestigde appellant dat in 2014 minder AWBZ-zorg is besteed dan het verleende pgb. Er is geen sprake geweest van problemen in de zorgverlening. De Raad overweegt dat procesbelang alleen bestaat wanneer het nastreven van het bezwaar of beroep daadwerkelijk een resultaat kan opleveren dat voor appellant betekenis heeft.

Gezien het feit dat het daadwerkelijk bestede bedrag aan zorg lager is dan het verleende pgb en dat de aangevoerde bezwaren van principiële aard zijn, concludeert de Raad dat het procesbelang ontbreekt. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

16/3501 AWBZ, 16/3502 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
19 april 2016, 14/3652 en 14/3653 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)
Datum uitspraak: 20 september 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft zijn moeder, [naam moeder] , hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door [naam moeder] . Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van Berkel en mr. F. van Bemmel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 30 april 2014 heeft het Zorgkantoor aan appellant op grond van de Regeling subsidies AWBZ voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juni 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 11.579,04 verleend.
1.2.
Bij besluit van 5 augustus 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 30 april 2014 gegrond verklaard onder verwijzing naar een besluit van 31 juli 2014. Bij laatstgenoemd besluit heeft het Zorgkantoor voor het gehele jaar 2014 een pgb van € 22.742,53 verleend.
1.3.
Bij besluit van 24 oktober 2014 (bestreden besluit 2) heeft het Zorgkantoor voor het jaar 2014 een pgb van € 17.256,25 verleend.
1.4.
Bij besluit van 29 juni 2015 (bestreden besluit 3) heeft het Zorgkantoor voor het jaar 2014 een pgb van € 18.594,85 verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat bestreden besluit 3 ter beoordeling voorligt en de rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.2.
Bij besluit van 19 juli 2017 heeft het Zorgkantoor het pgb voor het jaar 2014 vastgesteld op € 11.483,17. Hierbij heeft het Zorgkantoor in aanmerking genomen dat een pgb van
€ 18.594,85 is verleend, dat het verantwoorde bedrag van € 11.185,10 is goedgekeurd en dat een bedrag van € 298,07 vrij besteedbaar is.
4.3.
Ter zitting van de Raad is namens appellant bevestigd dat in 2014 met het verleende pgb een bedrag van € 11.185,10 aan AWBZ zorg is besteed. Dit bedrag is lager dan het verleende pgb in 2014. Uit wat namens appellant ter zitting van de Raad is verklaard is niet gebleken van problemen in de zorgverlening aan appellant door de in 2014 genomen verleningsbesluiten. Daarom valt niet in te zien wat appellant met zijn hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, waarin het gaat om de verlening van het pgb voor 2014, nog kan bereiken. Wat appellant heeft aangevoerd over onder andere de administratieve werkwijze van het Zorgkantoor is van principiële aard en doet daaraan niet af.
4.4.
Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het procesbelang ontbreekt. Daarom zal het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en D.S. de Vries en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september.
(getekend) H.J. de Mooij
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

AB