ECLI:NL:CRVB:2017:3272
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet aannemelijk hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf een adres op waar zij volgens haar woonde met haar dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen wees de aanvraag af omdat uit onderzoek bleek dat appellante niet haar hoofdverblijf op het opgegeven adres had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het opgegeven adres een tijdelijk verblijf was en dat zij vanwege omstandigheden geen eigen woonruimte kon huren. Zij verbleef doordeweeks op het opgegeven adres en in het weekend elders. Uit het onderzoek en huisbezoek bleek echter dat er geen persoonlijke bezittingen, post of speelgoed van haar en haar dochter op het adres aanwezig waren, en dat essentiële verzorgingsartikelen elders werden bewaard.
De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het opgegeven adres haar hoofdverblijf was gedurende de relevante periode. Ook het beroep op het belang van haar kind en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind faalde. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar hoofdverblijf had op het opgegeven adres.