Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:338

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2017
Publicatiedatum
31 januari 2017
Zaaknummer
16/5626 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PWArt. 15 PWArt. 16 lid 1 PWZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand wegens territorialiteitsbeginsel en ontbreken zeer dringende redenen

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om bijzondere bijstand voor medische kosten, waaronder een hoortoestel, medicijnen, podotherapie en een bril, deels in Turkije gemaakt. Het college wees dit af omdat de kosten niet noodzakelijk waren of onder een voorliggende voorziening vielen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het territorialiteitsbeginsel uit artikel 11 van Pro de Participatiewet (PW) verlening van bijzondere bijstand voor in het buitenland gemaakte kosten uitsluit.

Verder oordeelde de rechtbank dat appellant geen recht had op bijzondere bijstand voor medische kosten die door de zorgverzekering (Zvw) worden gedekt, aangezien deze als toereikende en passende voorliggende voorziening geldt. Ook het beroep op vergoeding van het eigen risico werd afgewezen, omdat dit een bewuste keuze van de wetgever betreft en als voorliggende voorziening geldt. Het beroep op artikel 16 lid 1 PW Pro, dat bijstand mogelijk maakt bij zeer dringende redenen, werd eveneens verworpen omdat appellant geen acute noodsituatie aannemelijk maakte.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, waaronder dat de zorgverzekering geen voorliggende voorziening zou zijn en dat er sprake was van een acute noodsituatie vanwege hartproblemen en verlies van een gehoorapparaat. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectief bewijs leverde voor een acute noodsituatie die alleen met bijstand kon worden verholpen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

16/5626 PW
Datum uitspraak: 31 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
20 juli 2016, 16/2073 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. Y. Ersoy, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I. Atar, kantoorgenoot van mr. Ersoy. Als tolk is meegebracht E. Battaloglu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 10 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van een hoortoestel, medicijnen, medische kosten in Turkije, podotherapie en een bril afgewezen op de grond dat deze kosten niet noodzakelijk zijn dan wel onder de werking van een voorliggende voorziening vallen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe het volgende, samengevat, overwogen.
2.1.
Ten aanzien van de kosten van medische behandelingen die in het buitenland zijn verricht, staat het in artikel 11 van Pro de Participatiewet (PW) neergelegde territorialiteitsbeginsel in de weg aan verlening van bijzondere bijstand.
2.2.
Met betrekking tot de overige medische kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd, bestaat op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW, geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Niet in geschil is dat appellant beschikt over een zorgverzekering in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 19 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:198) worden de Zvw en de daarop gebaseerde regelgeving als een toereikende en passende voorziening beschouwd. Voorts is in deze regelgeving een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten. Gelet op deze bewuste keuze van de wetgever is verlening van bijzondere bijstand in de medische kosten van appellant niet aan de orde.
2.3.
Voor zover appellant tevens heeft beoogd in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten van het eigen risico, ligt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 14 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:6734) aan het hanteren van een verplicht eigen risico een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag, die ertoe leidt dat in beginsel sprake is van een uitputtende - passende en toereikende - regeling, die een voorliggende voorziening oplevert in de zin van artikel 15 van Pro de PW.
2.4.
Het beroep van appellant op artikel 16, eerste lid, van de PW slaagt evenmin. Op grond van deze bepaling kan, in afwijking van onder meer de artikelen 11 en 15 van de PW, bijstand worden verleend indien gelet op alle omstandigheden zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Van zeer dringende redenen is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1751) slechts sprake ingeval van een acute noodsituatie, dat wil zeggen een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig lichamelijk of psychisch letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben, welke noodsituatie alleen door verlening van bijstand te verhelpen is. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke situatie sprake was.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de kosten noodzakelijk zijn, dat de zorgverzekering geen voorliggende voorziening is en dat er sprake is van een acute noodsituatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormen in essentie een herhaling van wat hij reeds in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen reden aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2.1 tot en met 2.4 weergegeven, waarop dat oordeel rust. De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.
4.2.
Niet in geschil is dat de zorgverzekering van appellant een deel van de kosten van de medische behandelingen in Turkije heeft vergoed. De aanvraag om bijzondere bijstand in verband met deze behandelingen ziet op het deel dat niet is vergoed. In dit verband heeft appellant ter zitting van de Raad toegelicht dat hij hartproblemen had, waardoor er stents moesten worden geplaatst. Verder had appellant zijn gehoorapparaat verloren, waardoor hij een nieuw gehoorapparaat nodig had. Gelet hierop moet, ondanks de werking van het territorialiteitsbeginsel, volgens appellant op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW voor het deel van de kosten dat niet door de zorgverzekeraar is vergoed bijzondere bijstand worden verleend. Dit betoog slaagt niet. Nu appellant zich beroept op de toepassing van een uitzonderingsbepaling, in dit geval artikel 16, eerste lid, van de PW, ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat van een acute noodsituatie sprake was. Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat sprake was van een acute noodsituatie die alleen met bijstandsverlening te verhelpen was. Weliswaar zijn meermaals dezelfde nota’s van de desbetreffende behandelingen overgelegd, maar uit die nota’s blijkt de acute noodsituatie als hier bedoeld niet.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2017.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) S.A. de Graaff

HD