Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
Inleiding
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, die een bijstandsuitkering ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor het eigen risico van zijn ziektekostenverzekering en medisch onderzoek in Turkije. Het college wees deze aanvraag af op grond van het territorialiteitsbeginsel en de aanwezigheid van een passende voorliggende voorziening in de Zorgverzekeringswet.
Eiser voerde aan dat zijn medische problematiek in Nederland niet opgelost kon worden en dat er sprake was van een acute noodsituatie vanwege een progressief verslechterende gezondheidstoestand. Hij stelde dat het college hem eerder wel bijstand had verleend en beriep zich op het rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een acute noodsituatie die bijzondere bijstand rechtvaardigt. Het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat iedere aanvraag afzonderlijk wordt getoetst. Andere aangevoerde gronden, zoals de studieproblemen van eiser, waren niet relevant voor dit besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep op bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van acute noodsituatie.