Appellante ontving hulp bij het huishouden in natura op grond van de Wmo over de periode van 2012 tot 2013. In 2014 vroeg zij een persoonsgebonden budget (pgb) aan, maar het college wees dit af vanwege problematische schulden die zij had verzwegen bij de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de schuldenproblematiek een risico vormt voor de toekenning van een pgb.
In hoger beroep stelde appellante dat haar schuldenlast niet problematisch was, dat zij betalingsregelingen trof en dat beslaglegging op een pgb niet mogelijk is. Ook voerde zij een beroep op de hardheidsclausule aan. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende openheid van zaken gaf over haar schulden en dat er overwegende bezwaren zijn tegen het toekennen van een pgb.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. De besteding en administratie van het pgb via de Sociale Verzekeringsbank vanaf 2015 doet hier niet aan af, omdat de aanvraag in 2014 is gedaan.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.