Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht het UWV om herziening van besluiten omtrent zijn WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2000 tot 1 augustus 2007, met uitzondering van februari 2005, omdat hij meent dat de beslagvrije voet niet correct is toegepast. Hij stelde dat hierdoor een bedrag van € 8.837,05 te weinig is uitbetaald. Het UWV wees dit verzoek af omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de besluiten over de maandelijkse uitkeringen in rechte vaststaan omdat appellant daartegen geen bezwaar had gemaakt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ligt aan elke maandelijkse uitkering een besluit ten grondslag, en zonder nieuwe feiten of omstandigheden kan niet worden teruggekomen op deze besluiten.
Appellant voerde aan dat alleen over februari 2005 was geprocedeerd en dat voor de overige maanden geen appellabele besluiten zouden zijn genomen, zodat het UWV alsnog besluiten moet nemen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat ook voor deze maanden besluiten bestaan die in rechte vaststaan en dat het verzoek tot herziening terecht is afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro.
Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.