ECLI:NL:CRVB:2017:3515

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 oktober 2017
Publicatiedatum
13 oktober 2017
Zaaknummer
15/1370 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 57 WAOArt. 80 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens gewijzigde inkomsten

Betrokkene ontving vanaf 2002 een WAO-uitkering, die in 2003 werd herzien. Het UWV stelde bij besluiten in 2013 vast dat de uitkering over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 juni 2013 te hoog was vastgesteld, mede door een stijging van het inkomen en wisselende inkomsten zoals een belaste kilometervergoeding en winstuitkering. Het te veel betaalde bedrag van €8.373,31 werd teruggevorderd.

Appellanten voerden aan dat het UWV onterecht loonstroken niet had opgevraagd en dat de gegevens reeds via de polisadministratie en de Belastingdienst beschikbaar waren. Tevens werd gesteld dat de Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen (WEU) herhaalde gegevensopvraging verbiedt. De rechtbank oordeelde echter dat betrokkene zelf verplicht was wijzigingen in inkomsten door te geven en dat het UWV terecht heeft teruggevorderd, omdat geen dringende reden voor kwijtschelding was gesteld.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en overweegt dat de stijging van het bruto inkomen en de fluctuaties in inkomsten het voor betrokkene redelijkerwijs duidelijk hadden moeten maken dat de uitkering mogelijk te hoog was. De Raad wijst erop dat het beleid van het UWV om terugwerkende kracht toe te passen op grond van artikel 44 WAO Pro consistent is toegepast. De stellingen over de WEU zijn niet relevant omdat het hier om toepassing van artikel 44 WAO Pro gaat en niet om een inlichtingenverplichting. De terugvordering is daarmee terecht en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €8.373,31 onverschuldigde WAO-uitkering door het UWV.

Uitspraak

15/1370 WAO
Datum uitspraak: 13 oktober 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
12 januari 2015, 14/942 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
De erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] (betrokkene), laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft mr. L. de Graaf hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 30 juni 2016 is kenbaar gemaakt dat betrokkene op 21 februari 2016 is overleden. Mr. De Graaf heeft de procedure namens de erfgenamen voortgezet.
Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Aan betrokkene is bij besluit van 5 juni 2002 met ingang van 20 juni 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In verband met uitbreiding van werkzaamheden is die uitkering in 2003 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.
1.2.
Bij brief van 5 juli 2013 heeft het Uwv verzocht om toezending van loongegevens vanaf 1 augustus 2008.
1.3.
Bij besluit van 24 juli 2013 (primair besluit I) heeft het Uwv besloten dat de
WAO-uitkering met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 juni 2013 uitbetaald had moeten worden naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, dan wel op nihil gesteld had moeten worden.
1.4.
Bij besluit van 24 juli 2013 (primair besluit II) heeft het Uwv over de periode 1 oktober 2008 tot en met 30 juni 2013 het bedrag dat onverschuldigd betaalbaar is gesteld teruggevorderd. Het betreft een bedrag van € 8.373,31.
1.5.
Bij besluit van 27 augustus 2013 (primair besluit III) heeft het Uwv betrokkene over de invordering geïnformeerd.
1.6.
Bij besluit van 18 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard. Daaraan lag een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 januari 2014 ten grondslag.
2.1.
In beroep tegen het bestreden besluit is aangevoerd dat het Uwv bij de vaststelling van de feitelijke verdiensten ten onrechte is uitgegaan van het sv-loon, terwijl dit op basis van het brutoloon had gemoeten. Verder is aangevoerd dat de verdiensten, afgezien van de
CAO-verhogingen en een hogere vergoeding voor de reiskosten niet of nauwelijks gewijzigd zijn, zodat betrokkene vanaf september 2008 geen opgave van zijn verdiensten meer heeft gedaan en er ook van uit mocht gaan dat dit niet nodig was. Voorts is aangevoerd dat het Uwv vanaf de herbeoordeling in 2008 nooit heeft verzocht om toezending van de loonstroken. Verder is het standpunt ingenomen dat het Uwv via de polis-administratie en de Belastingdienst al over de gegevens beschikte. De Wet eenmalige gegevensuitvraag werk en inkomen (WEU) verzet zich volgens appellanten ertegen dat die gegevens opnieuw worden opgevraagd.
2.2.
Het Uwv heeft zijn standpunt gemotiveerd gehandhaafd.
2.3.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat betrokkene heeft verzuimd vanaf
1 oktober 2008 onverwijld uit eigen beweging opgave te doen van de gewijzigde verdiensten ten gevolge van wisselende hoogtes van zowel het brutoloon alsook van het sv-loon, welke wisselingen niet alleen zijn veroorzaakt door vergoeding van reisuren maar ook door de ontvangst vanaf oktober 2007 van een belaste kilometervergoeding. Daarnaast was ook een winstuitkering ontvangen. Voor de stelling van appellanten dat het betrokkene redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn dat de wisselingen in verdiensten van invloed konden zijn op het recht op uitkering, bestaat volgens de rechtbank geen grond. De stelling dat tegenover de belaste kilometervergoeding onkosten waren gemaakt, is geen reden voor een andersluidende conclusie, nu uit de loonstroken blijkt dat het belaste deel van de kilometervergoeding tot het brutoloon is gerekend. Dat het Uwv betrokkene niet heeft gevraagd loonstroken op te sturen maakt de beoordeling volgens de rechtbank niet anders, omdat deze omstandigheden betrokkene niet ontslaan van zijn verplichting om zelf inlichtingen te verstrekken. De stelling van appellanten dat tussentijds navraag is gedaan bij het Uwv of de loonsverhogingen reden zijn om dat door te geven en dat gezegd zou zijn dat opgave doen niet nodig is, vindt geen steun in het dossier. Het standpunt van betrokkene dat het Uwv via haar polis-administratie en via opgaven van de Belastingdienst op de hoogte was of kon zijn geweest van de hoogte van de inkomsten van betrokkene en dat het Uwv ten onrechte tot 2013 heeft gewacht met het nemen van een besluit tot terugvordering maakt de beoordeling evenmin anders, omdat het Uwv in de situatie dat teveel uitkering betaald is op grond van artikel 57 van Pro de WAO verplicht is wat teveel betaald is terug te vorderen, tenzij sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Gesteld noch gebleken is dat zich ten aanzien van betrokkene dergelijke dringende redenen voordoen.
3.1.
In hoger beroep is namens appellanten herhaald dat het Uwv zelf onduidelijkheid in het leven heeft geroepen door te informeren naar salarisgegevens en niet de loonstroken op te vragen. Waar het Uwv vraagt om een opgave van het vaste bruto maandsalaris en eventueel gedeeltelijke winstuitkering kan betrokkene niet verweten worden dat hij niet de kilometervergoeding heeft gemeld. Namens appellanten is een beroep gedaan op de Memorie van Toelichting bij wetsvoorstel met nummer 30970, betreffende de eenmalige gegevensuitvraag aan burgers, op grond waarvan geen gegevens meer mogen worden opgevraagd bij burgers die al uit de polis-administratie blijken. Verder hebben appellanten gewezen op een soortgelijke zaak waarin geoordeeld was dat het de belanghebbende niet redelijkerwijs verweten kon worden geen inkomsten te hebben doorgegeven.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat de inkomsten van betrokkene van 1 oktober 2008 tot en met 30 juni 2013 aanleiding hebben gegeven tot het niet geheel uitbetalen van de WAO-uitkering, dan wel nihil-stelling van de WAO-uitkering. De Raad stelt vast dat de besluitvorming van het Uwv gebaseerd is op artikel 44 van Pro de WAO. De besluitvorming van het Uwv, noch de nadere correspondentie, wijst op een andere wettelijke grondslag.
4.2.
Bij de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO pleegt het Uwv in lijn met de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen van 18 april 2000 (Stcrt. 2000, 89) van het met terugwerkende kracht toepassen van artikel 44 van Pro de WAO af te zien in gevallen waarin het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat teveel uitkering werd ontvangen. Het betreft een bestendig gehanteerde gedragslijn (ook onder de Beleidsregels van 17 oktober 2006, Strct. 2006, 230), die de Regeling van 18 april 2000 heeft vervangen, want de regeling is niet rechtstreeks van toepassing op artikel 44 van Pro de WAO, die op één lijn dient te worden gesteld met een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in, zoals ook door de rechtbank is overwogen, dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd, met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.
4.3.
De Raad ziet zich gelet op overweging 4.2 gesteld voor de vraag of het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn geweest dat te veel uitkering is ontvangen. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. In dit kader wordt overwogen dat het Uwv heeft toegelicht dat het bruto inkomen van betrokkene vanaf 2006 vergeleken met augustus 2008 met € 600,- bruto per maand was gestegen. Deze aanzienlijke stijging, waarvan de hoogte niet bestreden is, is zodanig dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn geweest dat dit mogelijk van invloed was op de uitbetaling van de uitkering. Bij inkomsten uit arbeid dient een verzekerde rekening te houden met het feit dat de inkomsten, naar achteraf blijkt, mogelijk van invloed zijn op het recht of de uitbetaling van de uitkering. Dit geldt temeer in de situatie als deze, waarin naast het vaste inkomen sprake is van wisselende inkomsten die in hoogte behoorlijk fluctueren. Een verzekerde dient te allen tijde rekening te houden met een mogelijke wijziging in de uitbetaling van de uitkering met terugwerkende kracht. Hieruit vloeit voort dat de stelling van appellanten dat het Uwv nooit naar loonstroken heeft gevraagd niet slaagt, noch daargelaten dat die stelling feitelijk onjuist is.
4.4.
Wat betreft de berekening wordt wat hierover in de aangevallen uitspraak over de reisuren en de winstuitkering is overwogen, niet onjuist geacht.
4.5.
Ook het standpunt van appellanten dat het Uwv al kon beschikken over alle inkomensgegevens en dat gegevens op grond van de WEU niet opgevraagd mogen worden maakt de beoordeling niet anders. Overwogen wordt dat nu aan de besluitvorming niet de schending van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 80 van Pro de WAO ten grondslag ligt, maar toepassing van artikel 44 van Pro de WAO, het gestelde rond de WEU niet van toepassing is.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het Uwv met juistheid over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 juni 2013 toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van Pro de WAO en terecht het bedrag van € 8.373,31 aan over die periode onverschuldigd betaalde uitkering van betrokkene heeft teruggevorderd. Uit vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van
20 augustus 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BN4765) vloeit voort dat slechts ingeval van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. De aanwezigheid van een dringende reden is gesteld noch gebleken.
4.7.
De Raad komt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, deels met verbetering van de motivering, dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2017.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L.H.J. van Haarlem

AB