ECLI:NL:CRVB:2010:BN4765
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- C.W.J. Schoor
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens anticumulatie met inkomsten
Appellant ontving vanaf 1 mei 2001 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 45%. Vanaf 2002 verrichtte hij zelfstandige werkzaamheden. Het UWV besloot de uitkering per 1 januari 2002 niet uit te betalen vanwege inkomsten uit arbeid en trok de uitkering per 1 januari 2008 in. Tevens werd de onverschuldigd betaalde uitkering over 2002 tot en met mei 2008 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant niet aan zijn informatieplicht had voldaan door jaarstukken niet te verstrekken, waardoor de uitkering te hoog was vastgesteld. Het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en de stelling dat terugvordering de bedrijfsvoering zou schaden, werden verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. De berekening van inkomsten was gebaseerd op door appellant overgelegde jaaropgaven en bevestigd door zijn accountant. De gedragslijn van het UWV inzake artikel 44 WAO Pro werd consistent toegepast. Er was geen sprake van gerechtvaardigde verwachtingen die terugvordering uitsloten. De financiële gevolgen van terugvordering vormden geen dringende reden om hiervan af te zien.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 20 augustus 2010 door voorzitter T.L. de Vries en leden C.W.J. Schoor en H.J. Simon.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen worden bevestigd.