Uitspraak
16.614 AWBZ
6 september 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [A]. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Baytemir.
Centrale Raad van Beroep
Het Zorgkantoor had aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de jaren 2013 en 2014. Het Zorgkantoor heeft appellant herhaaldelijk verzocht om verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb, met name over de tweede helft van 2013 en heel 2014. Toen appellant hieraan niet voldeed, heeft het Zorgkantoor het pgb ingetrokken met ingang van 1 juli 2013 respectievelijk 1 januari 2014.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard omdat hij niet voldeed aan zijn verplichting tot verantwoording. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat ondanks persoonlijke omstandigheden van appellant en zijn bewindvoerder, zij verplicht waren professionele hulp in te schakelen om de verantwoording op orde te brengen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat door moeilijke omstandigheden het onmogelijk was tijdig te verantwoorden en dat het pgb daadwerkelijk aan AWBZ-zorg was besteed. De Raad onderschreef echter de redelijkheid van het Zorgkantoor om het pgb in te trekken en vond dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
Hoewel het Zorgkantoor later een deel van het pgb over 2013 en 2014 alsnog accepteerde als besteed aan AWBZ-zorg, was dit onvoldoende om het standpunt van appellant te ondersteunen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking van het pgb en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van het persoonsgebonden budget voor 2013 en 2014 wordt bevestigd wegens het niet voldoen aan de verantwoordingsplicht.