ECLI:NL:CRVB:2017:3652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bijstandbehoevende omstandigheden en niet aannemelijke leningen
Appellante vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 7 mei 2015 nadat haar bedrijf op last van de burgemeester was gesloten. Het college weigerde de bijstand op grond dat zij in de relevante periode bedragen had ontvangen die hoger waren dan de toepasselijke norm en dat zij geen bewijs had geleverd dat deze bedragen leningen waren bedoeld voor levensonderhoud.
Appellante overhandigde later aanvullende bankafschriften waaruit bleek dat zij in augustus en september 2015 bedragen had ontvangen, maar het college stelde dat deze gelden geen leningen waren omdat de terugbetaling afhankelijk was van een onzekere toekomstige gebeurtenis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak.
De Raad benadrukte dat de aanvrager de feiten en omstandigheden die recht geven op bijstand moet aantonen en volledige openheid moet geven. Volgens vaste jurisprudentie is het bijstandverlenend orgaan bevoegd om ook gegevens van de periode voorafgaand aan de aanvraag te vragen. Leningen worden alleen als grond voor bijstand geweigerd indien zij niet aannemelijk zijn gemaakt als leningen voor levensonderhoud.
Appellante kon niet aantonen dat de ontvangen bedragen leningen waren voor levensonderhoud, noch dat zij in de relevante periode geen ander inkomen had. Het hoger beroep faalde daarom en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van leningen en het ontbreken van bijstandbehoevende omstandigheden.