Appellant was sinds 1992 werkzaam als senior penitentiair inrichtingswerker bij de Penitentiaire Inrichting [X.]. Na zijn aanhouding in juni 2015 op verdenking van een misdrijf, werd een disciplinair onderzoek ingesteld dat leidde tot het opleggen van ontslag wegens plichtsverzuim. De gedragingen betroffen het niet melden van contacten van zijn partner met personen uit de privékring van een gedetineerde met een vlucht- en maatschappelijk risico, het binnensmokkelen en tonen van een foto aan deze gedetineerde, het verrichten van niet gemelde beveiligingswerkzaamheden, en het niet open en waarheidsgetrouw verklaren over deze feiten.
De rechtbank had het beroep tegen het ontslag ongegrond verklaard en de Raad bevestigt dit oordeel. Het onderzoek was zorgvuldig, ook al was het volledige strafrechtelijke dossier niet beschikbaar vanwege een embargo-onderzoek. De Raad oordeelt dat het proces-verbaal en de eigen verklaringen van appellant voldoende bewijs vormen voor het plichtsverzuim.
De Raad benadrukt dat medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen bijzondere integriteitseisen hebben vanwege de veiligheid binnen de organisatie. Gezien de ernst en aard van de gedragingen is het ontslag niet onevenredig. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.