ECLI:NL:CRVB:2017:380
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Toekenning invaliditeitsuitkering en vergoeding huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling
Appellant, geboren in 1941 in het voormalig Nederlands-Indië, verzocht in september 2012 om een invaliditeitsuitkering en vergoeding voor huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder kende aanvankelijk een uitkering toe van 10% en wees de vergoeding voor huishoudelijke hulp af. Na bezwaar en een nieuw besluit werd een beperkte voorziening voor huishoudelijke hulp toegekend met ingang van 1 augustus 2013.
De Raad oordeelt dat de wijziging in de medische omstandigheden bij de heroverweging van het bezwaar betrokken had moeten worden, conform artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Hierdoor worden de eerdere besluiten vernietigd en herroepen. De Raad stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 20%, gebaseerd op medische adviezen die een psychische invaliditeit van 25% vaststellen waarvan 60% toe te schrijven is aan oorlogservaringen.
De voorziening voor huishoudelijke hulp wordt toegekend met ingang van 1 september 2012, de oorspronkelijke aanvraagdatum, omdat de verslechtering in medische omstandigheden dit rechtvaardigt. Daarnaast kent de Raad een schadevergoeding toe van in totaal €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €750,- voor rekening van de Staat der Nederlanden en €250,- voor verweerder. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Invaliditeitsuitkering van 20% en vergoeding huishoudelijke hulp toegekend met terugwerkende kracht; schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn toegekend.