ECLI:NL:CRVB:2017:3847

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 2017
Publicatiedatum
6 november 2017
Zaaknummer
16/1347 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZWArt. 8 Wet WIAArt. 20 ZWArt. 23 Wet WIAArt. 30a ZW
Verwijzingen
14 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking

Appellant meldde zich ziek op 13 februari 2013 voor werkzaamheden als tuinbouwmedewerker die hij vanaf 26 november 2012 via een BV zou hebben verricht. Het UWV startte een onderzoek naar gefingeerde dienstverbanden, wat resulteerde in een rapport werknemersfraude. Op basis hiervan weigerde het UWV een WIA-uitkering en trok de ZW-uitkering in, waarna onverschuldigde betalingen werden teruggevorderd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant feitelijk directeur was en geen werknemer in de zin van de sociale verzekeringswetten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er wel sprake was van een private dienstbetrekking en gezagsverhouding, maar kon dit niet onderbouwen met objectieve gegevens.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de overgelegde arbeidsovereenkomst een uitzendovereenkomst betrof, waarbij een arbeidsovereenkomst pas ontstaat bij uitlening aan een opdrachtgever. Appellant kon niet aantonen dat hij op het moment van ziekmelding was uitgeleend of werkzaamheden verrichtte onder gezag van een opdrachtgever.

Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 november 2017.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering en terugvordering van de ZW-uitkering bevestigd.

Uitspraak

16/1347 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
21 januari 2016, 15/3670 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 november 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.M.L. Theelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Op 13 februari 2013 heeft appellant zich ziekgemeld voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker, die hij vanaf 26 november 2012 via [BV] B.V. ( [BV] ) zou hebben verricht. Hierop heeft het Uwv appellant met ingang van 13 februari 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Naar aanleiding van een aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is het Uwv een onderzoek gestart vanwege verdenking van gefingeerde dienstverbanden bij [BV] . De uitkomst van dit onderzoek is neergelegd in het Rapport Werknemersfraude van 5 januari 2015.
1.3.
Bij besluit van 9 januari 2015 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering. Bij besluit van 12 januari 2015 heeft het Uwv de
ZW-uitkering van appellant per 13 februari 2013 ingetrokken. Bij besluit van 14 januari 2015 heeft het Uwv over de periode van 13 februari 2014 tot en met 28 december 2014 een bedrag van € 30.995,73 aan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering van appellant teruggevorderd.
1.4.
Appellant heeft bewaar gemaakt tegen de in 1.3 genoemde besluiten. Dit bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 8 april 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBDHA:2016:540) heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat appellant blijkens het frauderapport van
5 januari 2015, naast enig aandeelhouder, feitelijk de directeur van [BV] was, en nooit als uitzendkracht werkzaam is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant er niet in geslaagd objectieve en verifieerbare gegevens aan te dragen die tot het oordeel leiden dat het Uwv ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat appellant geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld. Nu appellant niet kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de ZW, was hij op grond van artikel 20 van Pro de ZW niet verzekerd en had hij geen recht op ziekengeld. Het Uwv heeft dan ook terecht op grond van artikel 30a van de ZW het recht van appellant op een ZW-uitkering met ingang van 13 februari 2013 ingetrokken. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW was het Uwv gehouden de als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering terug te vorderen. Nu appellant hierdoor de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt, kon appellant geen aanspraak op een WIA-uitkering ontlenen aan artikel 23 van Pro de Wet WIA.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij wel recht had op een ZW-uitkering. Op 13 februari 2013 heeft appellant zich ziekgemeld voor zijn werk als tuinbouwmedewerker. Hij heeft daar vanaf 26 november 2012 via het bedrijf [BV] gewerkt. Hieruit volgt dat er geen sprake was van een fictieve werkgever. Appellant had alleen maar een controlerende bevoegdheid binnen [BV] . Appellant heeft niet als algemeen directeur voor [BV] gewerkt. Volgens appellant was er tussen hem en [BV] sprake van een private dienstbetrekking en was er sprake van een gezagsverhouding, omdat hij bij een van de opdrachtgevers werkzaam was.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil is in hoger beroep beperkt tot de vraag of appellant werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid, van de ZW en (daarmee) in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA.
4.2.
Het oordeel van de rechtbank hierover en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden geheel onderschreven. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Blijkens zijn aanvraag heeft appellant zich ziekgemeld voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst, heeft appellant verwezen naar een met [BV] gesloten overeenkomst getiteld “Arbeidsovereenkomst fase A met uitzendbeding”. Dit betekent echter nog niet dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de kwalificatie, die partijen zelf aan hun rechtsverhouding hebben gegeven, niet doorslaggevend is. Het is aan de rechter om de verhouding tussen partijen al dan niet als arbeidsovereenkomst te kwalificeren (arrest van 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9444).
4.4.
In artikel 3 van Pro deze overeenkomst is de aard van de overeenkomst nader omschreven als een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 3 is Pro verder bepaald dat werknemer ter beschikking zal worden gesteld aan een of meer opdrachtgever(s) om onder diens toezicht werkzaamheden te verrichten. Dit betekent dat met toepassing van de artikelen 7:610 en 7:690 van het BW pas een arbeidsovereenkomst zal ontstaan op het moment dat appellant is uitgeleend aan een inlener/opdrachtgever (zie ook de uitspraak van de Raad van 20 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1649).
4.5.
Ook in hoger beroep heeft appellant niet toegelicht aan wie hij was uitgeleend op het moment dat hij zich op 13 februari 2013 ziek meldde. Een inleenovereenkomst met een inlener of een nadere toelichting hierover ontbreekt. Evenmin heeft appellant een nadere toelichting gegeven over zijn gestelde werkzaamheden als tuinbouwmedewerker, die hij zou hebben verricht ten tijde van zijn ziekmelding, noch waaruit zou blijken dat hij deze werkzaamheden toentertijd heeft verricht in een gezagsverhouding tot een inlener/opdrachtgever.
4.6.
Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2017.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) N. Veenstra

KS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.