ECLI:NL:CRVB:2017:3847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken dienstbetrekking
Appellant meldde zich ziek op 13 februari 2013 voor werkzaamheden als tuinbouwmedewerker die hij vanaf 26 november 2012 via een BV zou hebben verricht. Het UWV startte een onderzoek naar gefingeerde dienstverbanden, wat resulteerde in een rapport werknemersfraude. Op basis hiervan weigerde het UWV een WIA-uitkering en trok de ZW-uitkering in, waarna onverschuldigde betalingen werden teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant feitelijk directeur was en geen werknemer in de zin van de sociale verzekeringswetten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er wel sprake was van een private dienstbetrekking en gezagsverhouding, maar kon dit niet onderbouwen met objectieve gegevens.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de overgelegde arbeidsovereenkomst een uitzendovereenkomst betrof, waarbij een arbeidsovereenkomst pas ontstaat bij uitlening aan een opdrachtgever. Appellant kon niet aantonen dat hij op het moment van ziekmelding was uitgeleend of werkzaamheden verrichtte onder gezag van een opdrachtgever.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 1 november 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering en terugvordering van de ZW-uitkering bevestigd.