ECLI:NL:CRVB:2017:3935
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens woonplaats en verzekering in Duitsland
Appellante, van Nederlandse nationaliteit, verhuisde in 2008 naar Duitsland en werkte daar vanaf 2010. Na beëindiging van haar dienstverband in januari 2015 keerde zij terug naar Nederland en vroeg zij een WW-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvraag af omdat zij op het moment van werkloosheid woonde en verzekerd was in Duitsland.
De rechtbank bevestigde dit besluit, stellende dat Duitsland de bevoegde lidstaat was op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij op haar eerste werkloosheidsdag in Nederland woonde en dat het woonland volgens deze verordening verantwoordelijk is voor de uitkering. Ook beriep zij zich subsidiair op het arrest Bergemann vanwege gezinsomstandigheden.
De Raad oordeelde dat appellante tijdens haar laatste werkzaamheden in Duitsland woonde en verzekerd was, en dat de uitzondering van het arrest Bergemann niet van toepassing is omdat haar terugkeer naar Nederland niet voortkwam uit nauwe banden of betere kansen op werk, maar uit de verbreking van haar relatie. Daarom kon zij geen aanspraak maken op een Nederlandse WW-uitkering.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een Nederlandse WW-uitkering omdat zij woonde en verzekerd was in Duitsland op het moment van werkloosheid.