ECLI:NL:CRVB:2017:3955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.H.M. van de Ven
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante 1 ontving bijstand als alleenstaande ouder, ingeschreven op een uitkeringsadres, terwijl appellante 2 op een ander adres stond ingeschreven. Na een anonieme melding startte de gemeente Den Haag een onderzoek dat leidde tot het oordeel dat appellanten sinds 2008 een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden, en dat appellante 1 inkomsten uit arbeid had verzwegen.
Het college besloot de bijstand van appellante 1 met terugwerkende kracht in te trekken en de onterecht ontvangen bedragen terug te vorderen, ook van appellante 2 vanwege hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten de gezamenlijke huishouding en het verrichten van werkzaamheden door appellante 1.
De Raad oordeelde dat appellante 1 aan haar verklaringen tijdens het politieonderzoek gehouden kan worden en dat deze verklaringen, samen met aanvullend bewijs, voldoende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De verweren over de werkzaamheden werden niet verder besproken omdat de gezamenlijke huishouding reeds was vastgesteld. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding.