Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:4049

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2017
Publicatiedatum
22 november 2017
Zaaknummer
15/8178 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WWBoetebesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en matiging boete wegens niet doorgeven arbeidsinkomsten tijdens WW-uitkering

Appellant ontving vanaf 1 mei 2012 een WW-uitkering en kreeg toestemming voor een onbetaalde proefplaatsing van 15 oktober 2012 tot 15 januari 2013 bij een werkgever. Na afloop van deze periode werkte appellant in loondienst zonder dit aan het UWV door te geven. Het UWV herzag de uitkering en legde een boete op wegens het niet melden van de inkomsten.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de boete deels niet-ontvankelijk en ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant voldoende op de hoogte was van zijn meldingsplicht. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV mede verantwoordelijk was voor het toezicht en dat de informatievoorziening verwarrend was, waardoor sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant bekend had moeten zijn met zijn meldingsplicht, ook na afloop van de proefplaatsing, en dat de verantwoordelijkheid voor het doorgeven van wijzigingen bij hem lag. De boete wordt op grond van het lex mitior-beginsel vastgesteld op €2.286,55. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het eerdere vonnis vernietigd en het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De boete wegens niet doorgeven van arbeid wordt vastgesteld op €2.286,55 en het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

15/8178 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
2 november 2015, 14/7880 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 november 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W.D. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roozemond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontving met ingang van 1 mei 2012 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 27 september 2012 heeft hij bij het Uwv een aanvraag gedaan voor een onbetaalde proefplaatsing met behoud van WW-uitkering van 15 oktober 2012 tot en met 15 januari 2013 bij [BV] . Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft het Uwv deze toestemming verleend. De WW-uitkering van appellant is per 1 april 2013 geëindigd wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur.
1.2.
Bij intern onderzoek is het Uwv gebleken dat appellant vanaf 16 januari 2013 in loondienst heeft gewerkt bij [BV] en deze werkzaamheden niet aan het Uwv heeft doorgegeven. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv bij besluit van 1 mei 2014 de
WW-uitkering met ingang van 16 januari 2013 herzien en de volgens het Uwv onverschuldigd betaalde uitkering van in totaal € 4.573,10 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft deze herziening en terugvordering niet in rechte aangevochten.
1.3.
Bij een tweede besluit van 1 mei 2014 heeft het Uwv appellant een boete van € 4.573,10 opgelegd, omdat hij niet heeft doorgegeven dat hij van 16 januari 2013 tot en met 31 maart 2013 bij [BV] heeft gewerkt.
1.4.
Bij beslissing op bezwaar van 1 oktober 2014 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het boetebesluit van 1 mei 2014 ongegrond verklaard en de opgelegde boete gehandhaafd.
1.5.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende het beroep heeft het Uwv bij besluit van 23 april 2015 (bestreden besluit 2) de boete nader vastgesteld op
€ 2.290,-.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Het Uwv is veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van de door het Uwv verstrekte informatie in het kader van de WW-uitkering het appellant voldoende duidelijk had moeten zijn dat hij zijn arbeidsovereenkomst bij [BV] aan het Uwv had moeten meedelen, nu dit feit van invloed was op zijn recht op uitkering dan wel op de hoogte daarvan. Nu geen ministeriële regeling als bedoeld in de laatste volzin van artikel 25 van Pro de WW is vastgesteld, is de op appellant rustende inlichtingenverplichting nog onverkort van toepassing. Appellant heeft ter zitting verklaard dat hij voor 16 januari 2013 niet met zijn werkcoach heeft gesproken over het feit dat hij in loondienst bij [BV] kon treden, omdat de werkcoach steeds afwezig was. Nu appellant geen melding heeft gemaakt van zijn inkomsten uit arbeid heeft hij zijn inlichtingenverplichting geschonden en was het Uwv gehouden een boete op te leggen. De rechtbank ziet in de persoonlijke situatie van appellant geen dringende reden om van het opleggen van een boete af te zien. Naar het oordeel van de rechtbank is de boete van € 2.290,- op de juiste wijze vastgesteld.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden in beroep, aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid omdat ook een deel van de verantwoordelijkheid voor het doorgeven van het feit dat een proefplaatsing in een arbeidsovereenkomst is uitgemond, bij het Uwv ligt. Op grond van de Beleidsregels proefplaatsing UWV 2013 en de Beleidsregels UWV Protocol Jobcoach 2012 is het Uwv verantwoordelijk voor het toezicht op de proefplaatsing en de re-integratie van werkzoekenden. De proefplaatsing van appellant is conform de beleidsregels verleend voor drie maanden. Het Uwv had in elk geval na drie maanden bij appellant en/of de werkgever kunnen informeren hoe de proefplaatsing is verlopen en waarom geen vast dienstverband is gevolgd, nu het Uwv stelt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de proefplaatsing negatief was beëindigd. Voorts heeft het Uwv in het besluit van 4 oktober 2012 zeer verwarrende informatie verstrekt, nu daarin wel is gewezen op het doorgeven van wijzigingen van inkomsten tijdens de proefplaatsing, maar niet op het doorgeven van wijzigingen van inkomsten na de proefplaatsing. Het was appellant hierdoor onvoldoende duidelijk dat deze inlichtingenplicht op hem rustte.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is de vraag of de boete van € 2.290,- verder moet worden gematigd, omdat het niet doorgeven van de arbeidsovereenkomst bij [BV] appellant verminderd valt te verwijten. Met de rechtbank wordt deze vraag ontkennend beantwoord. Verwezen wordt naar de aangevallen uitspraak. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Dat in het besluit van 4 oktober 2012 niet is vermeld dat wijzigingen in het inkomen na afloop van de proefplaatsing moeten worden doorgeven maakt niet dat appellant hiermee niet bekend hoefde te zijn. In het besluit van 22 mei 2012 waarbij de WW-uitkering is toegekend is appellant er immers in algemene zin op gewezen dat hij wijzigingen in zijn situatie of inkomen moet doorgeven. Voorts is op het door appellant ondertekende aanvraagformulier voor de proefplaatsing uitdrukkelijk vermeld dat hij wijzigingen zoals het einde van de proefplaatsing, alsnog loon ontvangen of het aangaan van een dienstverband direct zal doorgeven aan het Uwv. Bovendien kan als algemeen bekend worden verondersteld dat het niet mogelijk is volledig werkzaam te zijn en loon te ontvangen en daarnaast recht te hebben op een volledige WW-uitkering. De omstandigheid dat een proefplaatsing een instrument is dat met toestemming van het Uwv kan worden ingezet, doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van een verzekerde om voor de WW-uitkering relevante informatie aan het Uwv door te geven. Het Uwv heeft dan ook terecht geen verminderde verwijtbaarheid aangenomen.
4.3.
Nu met ingang van 1 januari 2017 de bepaling in het Boetebesluit socialezekerheidswetten over de afronding van de boete op € 10,- naar boven is vervallen, brengt het lex mitior beginsel met zich dat de boete moet worden vastgesteld op € 2.286,55.
4.4.
Wat in 4.2 en 4.3 is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Het beroep tegen bestreden besluit 2 zal gegrond worden verklaard, dat besluit zal worden vernietigd en de boete zal worden vastgesteld op € 2.286,55.
5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 1.980,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 23 april 2015
ongegrond is verklaard;
- vernietigt het besluit van 23 april 2015;
- stelt het bedrag van de boete vast op € 2.286,55 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats
treedt van het besluit van 23 april 2015;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.980,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) B. Dogan

KS