ECLI:NL:CRVB:2017:4052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon Ziektewet ondanks minnelijke regeling over loon en uren
Appellante werkte vanaf januari 2013 als hoofd huishoudelijke dienst zonder schriftelijke arbeidsovereenkomst. Er ontstond een arbeidsconflict over loon en uren, dat leidde tot een minnelijke regeling in mei 2014, waarbij een arbeidsovereenkomst met een 32-urige werkweek en € 15 bruto per uur werd vastgelegd, en een eenmalige nabetaling van € 10.000 bruto.
Het UWV stelde het dagloon voor de Ziektewetuitkering vast op € 54,65, gebaseerd op polisadministratiegegevens. Appellante maakte bezwaar en stelde dat het dagloon op € 103,28 moest worden vastgesteld, uitgaande van de minnelijke regeling. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat niet was aangetoond dat het hogere loon in het refertejaar vorderbaar was.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de minnelijke regeling een beëindigingsovereenkomst is en geen bewijs vormt van een eerder overeengekomen loon of arbeidsduur. Er was geen bewijs dat het hogere loon in het refertejaar vorderbaar was. Daarom was het UWV terecht uitgegaan van de polisadministratie. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het dagloon blijft vastgesteld op basis van polisadministratie.