Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:4074

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2017
Publicatiedatum
24 november 2017
Zaaknummer
16/840 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa WAOArt. 40 lid 1 WAOArt. 14 WAOArt. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling dagloon WAO-uitkering na ziekmelding in 2013

Appellant ontving sinds 2001 een WAO-uitkering met een vastgesteld dagloon dat in de loop der jaren werd aangepast. Na ziekmelding op 28 oktober 2013 werd de WAO-uitkering per 25 november 2013 herzien en het dagloon vastgesteld op €158,27. Appellant maakte bezwaar en stelde dat op grond van artikel 40, eerste lid, WAO een hoger dagloon van €181,18 had moeten worden vastgesteld, rekening houdend met het hogere uurloon bij zijn laatste werkgever.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het dagloon juist was vastgesteld. De Raad overwoog dat artikel 40, eerste lid, WAO alleen toepassing vindt indien de wachttijd van 104 weken is verstreken, wat op 25 november 2013 nog niet het geval was.

Daarom kon appellant op die datum geen rechten ontlenen aan artikel 40, eerste lid, WAO. De Raad zag geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te wijzigen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het dagloon voor de WAO-uitkering per 25 november 2013 correct is vastgesteld op €158,27 en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

16/840 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
21 december 2015, 15/47 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 november 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord en daarbij nadere stukken ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant ontving met ingang van 15 augustus 2001 een loondervingsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en berekend naar een dagloon van € 126,42. Met ingang van 15 februari 2002 is de loondervingsuitkering omgezet in een vervolguitkering, gebaseerd op een vervolgdagloon van € 89,02. Daarnaast werkte appellant 22,79 uur per week bij de Stichting [naam stichting 1] , per 1 augustus 2013 overgegaan in de Stichting [naam stichting 2] ( [naam stichting 2] ). Op 28 oktober 2013 heeft appellant zich voor deze werkzaamheden ziekgemeld. Naast de gedeeltelijke WAO-uitkering ontving appellant loon tijdens ziekte.
1.2.
Bij besluit van 31 juli 2014 is de WAO-uitkering van appellant na een wachttijd van vier weken per 25 november 2013 herzien naar de arbeidsongeschikheidsklasse van 80 tot 100%. Het (vervolg)dagloon is daarbij vastgesteld op € 114,13. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1.
Bij beslissing op bezwaar van 28 november 2014 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2014 ongegrond verklaard.
2.2.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende dit beroep heeft het Uwv op 29 mei 2015 (bestreden besluit 2) een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2014 alsnog gegrond verklaard en is appellant per 25 november 2013 in aanmerking gebracht voor een loondervingsuitkering. Het dagloon is vastgesteld op € 158,27, zijnde het per
15 augustus 2001 vastgestelde (oude) dagloon, dat is geïndexeerd tot en met 1 juli 2013.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van dat besluit. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het dagloon voor de loondervingsuitkering per 25 november 2013 juist heeft vastgesteld.
4.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat met toepassing van artikel 40 van Pro de WAO bij de toekenning van de loondervingsuitkering per 25 november 2013 een hoger dagloon dan € 158,27 moet worden vastgesteld. Op grond van dit artikel had het Uwv ook rekening moeten houden met het hogere uurloon dat hij verdiende bij zijn laatste werkgever, [naam stichting 2] , waar hij eind oktober 2013 is uitgevallen. Appellant komt dan uit op een dagloon per 25 november 2013 van € 181,18.
4.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft met een berekening toegelicht dat toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO in het geval van appellant niet leidt tot een hoger dagloon.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv het dagloon voor de WAO-uitkering per
25 november 2013 juist heeft vastgesteld op € 158,27.
5.2.
In artikel 19aa van de WAO, ingevoerd per 1 juli 2013, is bepaald dat de verzekerde, bedoeld in artikel 19 van Pro de WAO, geen recht heeft op toekenning van een WAO-uitkering, indien hij op de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan reeds recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft.
5.3.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WAO, zoals dit artikellid luidt met ingang van
1 juli 2013, wordt het dagloon van de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa van de WAO, met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 van Pro de WAO wordt bij de dagloonvaststelling bedoeld in de eerste zin, de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet niet aangemerkt als loon.
5.4.
De Memorie van Toelichting bij artikel 19aa en 40, eerste lid van de WAO vermeldt het volgende (Kamerstukken II, 2012-2013, 33556, nummer 3, pagina 10-11):
“Het is wenselijk te regelen dat het WAO-dagloon kan worden verhoogd als aan de voorwaarden voor een (nieuw) recht op WAO-uitkering is voldaan, maar dat recht niet ontstaat omdat de betrokkene reeds een WAO-uitkering heeft. Het voorstel is om dat expliciet te regelen in artikel 40, eerste lid, WAO, omdat het criterium «toegenomen arbeidsongeschiktheid» tot onbillijke uitkomsten kan leiden als gevolg van de regeling in artikel 44 WAO Pro. Het voorgestelde artikel 40, eerste lid, WAO brengt mee dat het UWV moet vaststellen of aan de voorwaarden voor het ontstaan van een (tweede) recht op WAO-uitkering is voldaan alsof er geen (eerste) recht op WAO-uitkering bestaat. In dat geval kan het dagloon worden herzien, mits het dagloon van het tweede niet-ontstane recht hoger zou zijn geweest dan het (eerste) bestaande recht. Om dit goed te regelen wordt, evenals in de Wet WIA, expliciet in artikel 19aa WAO geregeld dat geen nieuwe, tweede recht op WAO-uitkering kan ontstaan.”
5.5.
De reeds toegekende WAO-uitkering is naar aanleiding van de ziekmelding op
28 oktober 2013 herzien per 25 november 2013. Het vastgestelde dagloon ziet op dit recht. Een (fictief) tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ter zake van deze ziekmelding kon eerst ontstaan na een wachttijd van 104 weken. Aangezien die periode op
25 november 2013 nog niet was doorlopen, kon appellant op 25 november 2013 nog geen rechten ontlenen aan artikel 40, eerste lid, van de WAO. Aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van appellant, die zien op de toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO, wordt dan ook niet toegekomen.
5.6.
Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en B.M. van Dun en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2017.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) R.H. Budde

JL