ECLI:NL:CRVB:2017:4117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling bij vaststellingsovereenkomst
Appellant was sinds september 2012 werkzaam als papierrestaurator en meldde zich in augustus 2014 ziek wegens psychische klachten. In maart 2015 werd de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd via een vaststellingsovereenkomst. Het UWV weigerde daarop de Ziektewetuitkering toe te kennen omdat de dienstbetrekking tijdens ziekte werd beëindigd, wat een benadelingshandeling oplevert.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een benadelingshandeling omdat het niet aannemelijk was dat de functie van appellant wegens bedrijfseconomische redenen was komen te vervallen. Ook het vertrouwen op het advies van een rechtsbijstandverlener leidde niet tot verminderde verwijtbaarheid. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet wist van de gevolgen voor zijn uitkering en dat de arbeidsplaats onomstotelijk was komen te vervallen.
De Raad verwierp deze gronden, benadrukte dat de werkgever overleg had gevoerd over alternatieve werkplekken en dat de omstandigheden niet vergelijkbaar waren met eerdere jurisprudentie. Er was geen dringende reden om af te zien van de maatregel. De Raad bevestigde daarom de gehele weigering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende gehele weigering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling.